Road to het CGVF

De vorige chronologische post stopte bij De Verstandigste Beslissing Van Mijn Leven, namelijk de huisarts-overstap, maar eigenlijk begon mijn weg naar het Centrum voor Gedragstherapie bij Vermoeidheid en Functionele klachten van het UZA, ofte ‘het CGVF’ (daar waar ik leerde revalideren) al vroeger. Zelfs nog in de praktijk van mijn vorige, niet-favoriete huisarts. Maar dan niet bij mijn vorige, niet-favoriete huisarts.

Er was namelijk eens (ter afwisseling) een minikwaaltje. Ik weet het niet meer, maar gok op een oorprop (yuck), een blaasontsteking (yuck) of een muggenbeet van monsterlijke afmetingen (jeuk). Daarvoor hoefde ik niet per se te wachten tot mijn populaire huisarts vrij was, want dat kon de haio (dat is een huisarts in opleiding blijkbaar) van dienst ook. Haar vond ik stiekem trouwens ook leuker, want ik kreeg meer begrip voor m’n muggenbeten, oren en blaasproblemen dan ik in het hele jaar ervoor in het kabinet ernaast had gekregen voor mijn veel vervelendere vermoeidheid.

Maar dus, die haio was er eentje van het nieuwsgierige soort. Ik kan het haar niet kwalijk nemen, want mijn dossier was in korte tijd behoorlijk aangedikt. Dus die waagde het erop om ook naar mijn andere klachten te vragen. Sterker nog, ze wilde ook gewoon meezoeken naar een oplossing. Had ik al gezegd dat ze sympathiek was?

Dus zo kwam het dat de volgende keer dat ik bij mijn vaste huisarts kwam klagen over mijn zware leven, er opeens een nota in m’n dossier stond over het CGVF. Na wat initiële irritatie – want dat had de haio in kwestie toch wel eens eerst met haar mogen overleggen – en een rondje Google kreeg ik alsnog een haastig afgedrukte folder mee en zo ging de bal aan het rollen.

Het was een hele zware bal op een behoorlijk plat oppervlak, maar hé, hij rolde. Een beetje. Van tijd tot tijd.

Heel het bovenstaande scenario speelde zich namelijk af rond het begin van maart 2018. Op 21 maart had ik voldoende moed verzameld om naar het centrum te bellen en een intake-afspraak bij de therapeute vast te leggen. Maar zo makkelijk ging het niet.

Want volgens de nogal vasthoudende receptioniste had ik eerst een diagnose nodig, en die kon ik enkel krijgen van de artsen die aan het centrum verbonden zijn. Volgens mij (en de website van het centrum) was dat niet nodig omdat ik al alle andere dokters van de wereld had gezien, maar de administratieve keikop gaf niet toe, en omdat ik daar bijzonder slechtgezind van werd – ik had het ondertussen best gehad met dokters – ging plan CGVF weer even de koelkast in.

Een week erna was ik wel uitgemokt en besloot ik toch maar een afspraak te maken met de almachtige UZA-artsen. Om dat te kunnen doen moest ik blijkbaar wel weer een verwijsbrief hebben van de huisarts, dus die beloofde er een klaar te leggen tegen de dag erna. Het was niet de dag erna, maar mits wat aandringen kreeg ik uiteindelijk toch die brief in handen. Mijn golden ticket naar het volgende golden ticket: een echte diagnose van echte dokters!

De brief ging bliksemsnel naar het centrum en het antwoord kwam al even bliksemsnel: “je geval wordt voorgelegd op het artsenoverleg, en daarna nemen wij contact met je op.”

En toen was het gedaan met die bliksems.

Ik dacht, in al mijn naïviteit, dat zo’n artsenoverleg toch wel iets wekelijks of ten minste maandelijks zou zijn. Ik was verkeerd. Drie maanden lang week ik niet van mijn telefoons zijde, tot ik eindelijk een mailtje kreeg dat ik mocht bellen om een afspraak in te plannen. Halle-friggin-lujah.

De week erna kon ik terecht bij de dokter-die-over-mijn-lot-zou-beslissen. Ze liet mij een paar uur wachten en dan een half uur huilen en ik ging naar buiten zonder diagnose (in your face, mevrouw de receptioniste), maar mét een plekje op de therapie-…wachtlijst! Yes! Meer wachten!

Nog twee maanden later kreeg ik telefoon dat het mijn beurt was om op intake-gesprek te komen. Pas tijdens dat telefoongesprek kwam ik te weten wat die therapie precies inhield. Pas tijdens dat telefoongesprek had ik door dat de sessies telkens in de kantooruren vielen. Pas tijdens dat telefoongesprek besefte ik voor het eerst, en nog maar een heel klein beetje, dat werken en revalideren een moeilijke combinatie zou worden.

Dus op die septembermiddag, 6 maanden na het begin van deze tergende pelgrimstocht, zei ik “nee bedankt, ik moet werken”. En dat was waarschijnlijk het domste dat ik de afgelopen jaren gedaan heb.

To be continued.

Een hele frisse, chronisch vermoeide hond.
Ze hebben mij nogal lang in de kou laten staan, snapte? (en dan ben ik gewoon zelf terug de kou ingelopen, maar da’s bijzaak)