Een Mooie Vakantiedag

Het bestaat nog, dit plekje internet, en ik denk er nog elke dag aan. En toch lukt het niet om mij ertoe te zetten om ook effectief iets te schrijven. Vroeger schreef ik over de eerste lentezon, verdwijnende geodriehoeken en het dragen van twee verschillende sokken, maar nu ik het een tijdlang alleen maar over mezelf en mijn struggles heb gehad, voelt het alsof daar geen plaats meer voor is. Gelukkig is mij recent iets overkomen dat me zo diep geraakt heeft, dat ik het hier wel kwijt kan. Het raakte me eerst in het diepst van mijn ziel, daarna in mijn waardigheid, maar uiteindelijk en vooral ook aan mijn voetzolen.

Ik was voor het eerst op een kiezelstrand.

En daar was ik niet op voorbereid. Ik was wél voorbereid op “een klein, rustig strandje”, op het einde van een lange wandeling. Als ik denk aan een strand, dan denk ik aan mij neervleien op een ondergrond die moeiteloos (of kom, met wat lichte graafwerken) de vorm van mijn eigen lichaam aanneemt. Op zand door mijn vingers laten glijden omdat dat zo tof voelt. Op wegzinken in de natte drab op weg naar zee, maar je daar niet druk om maken, want de zee spoelt de drab wel weg. Maar de reisgidsen, het internet en mijn lief vergaten mij collectief te informeren over het feit dat het “strand” – aanhalingstekens waren nog nooit zo terecht – in kwestie niet bestond uit zand, maar wel uit stenen. Vuistdikke stenen.

Ik ben de eerste persoon om toe te geven dat zandstranden overgeromantiseerd worden. Echt. Strandwandelingen zijn vermoeiend, zand dat te lang in de zon heeft gelegen verschroeiend en die korrels overal hoeven eigenlijk ook niet. Mijn verwachtingen voor een strand zijn dus laag. Ik wil eigenlijk gewoon zitten, eventueel liggen, en makkelijk bij de zee geraken. Als het even kan zonder pijn te lijden bij elke beweging. En dat is waar het schoentje knelt, op stranden van steen.

De eerste fase valt mee. Je hebt nog wandelschoenen aan (want je hebt een flinke wandeling gemaakt om dit “strand”uurtje te verdienen), en dus moet je enkel dealen met het feit dat je tot je enkels wegzakt, aangezien kiezels ongeveer even stabiel zijn als moerasgrond. Graad van onaangenaamheid? 45%.

Maar dan, net als je wil gaan zitten om uit te puffen, begint de échte lijdensweg. Want kiezelstenen mogen dan wel bepaalde gelijkenissen vertonen met drijfzand, ze zijn hoegenaamd harder. Je moet al geluk hebben (of extreem wrikken en wroeten) voor je een stukje treft waar je kont inpast zonder dat er een net iets te scherpe steen… enfin, je begrijpt me. Graad van onaangenaamheid: 65%.

Anyhow, laten we ervan uitgaan dat het je geluksdag is, en dat je hét juiste plekje alsnog gevonden hebt. Je kan nu bijna pijnloos zitten, als je niet te veel beweegt en het vooral ook niet in je hoofd krijgt om te gaan liggen. Tenzij je een groepje handig gepositioneerde stenen vindt dat comfortabel genoeg is om je hoofd op te leggen. Maar dat lijkt me zelfs op je geluksdag nogal hoog gegrepen.

Tijd voor de volgende stap, de grand finale, de ultieme test: tijd om te zwemmen. Nu ik het allemaal herbeleef vraag ik me af waar ik de moed vandaan haalde om überhaupt nog te bewegen, maar we doen allemaal weleens domme dingen, nietwaar? ‘Hoezo, dom?’ Ik hoor het jullie denken. Zwemmen is leuk! Fris! Pijnloos!

Fout. Want zoals dat gaat op stranden, lig (zit) je nooit helemaal aan de waterlijn. Dat zou een basisfout zijn. Een beetje als zonder waterschoenen naar een kiezelstrand trekken, ik zeg maar wat. Enfin, ik moest dus nog ruim vier meter “strand” overbruggen voor ik ook maar met m’n teen aan het water kon. Voet voor voet. Kiezel voor kiezel. Maar waar kiezels onder wandelschoenen lichtjes onprettig zijn, zijn kiezels onder blote voeten extreem pijnlijk. En dat komt van iemand wiens scheen ooit eens aan frennen werd gestampt door een paard. Alle technieken heb ik geprobeerd: al m’n gewicht op m’n tenen, en zo verder trippelen. Zo snel mogelijk lopen. Langzaam mijn voeten afrollen. Niets werkte.

Eens in het water werd het niet beter (als het niet nog pijnlijker werd), dus stortte ik me na twee stappen face forward in de golven. Dat bleek de verstandigste beslissing die ik die dag maakte, en heel even beleefde ik de beste zwempartij ooit, ware het niet dat het besef dat ik nog terug moest als een dreigende onweerswolk boven mijn hoofd hing.

En terecht. Want waar de heenweg misschien onaangenaam was (78%), was de terugtocht niet alleen onaangenaam, maar vooral ook gênant. Je herinnert je misschien nog uit de vorige alinea dat ik op m’n elegantst het water ben ingedoken zodra dat kon. Wel, op terugweg heb ik hetzelfde proberen doen, in eenzelfde vloeiende beweging, maar dan in omgekeerde richting. Neem gerust even de tijd om het je voor te stellen, ik wacht wel.

Als je nu denkt: da’s onmogelijk, want je hebt de zwaartekracht tegen, enzovoort enzoverder, dan heb je gelijk. Ik ben hopeloos dramatisch aangespoeld als een verdwaalde walrus, in mijn poging om zo lang mogelijk geen gewicht op mijn voeten te moeten zetten. Zeer onaangenaam, ik geef het 84%.

At this point was niet alleen mijn levenslust, maar ook mijn reputatie er volledig aan, en ik moest nog terug naar mijn schoenen. Diezelfde vier meter, dit keer licht bergop. Drie stappen heb ik gezet, voor ik luid vloekend mijn waardigheid volledig heb laten varen en op handen en voeten, bij elke stap wegzakkend in het kiezelmoeras (voor wie nog twijfelt, dit is de 100%), terug naar mijn schoenen ben gekropen. Nooit, maar ook echt nooit eerder ben ik opgelucht geweest die dingen terug aan mijn voeten te hebben. En nooit, maar ook echt nooit meer, ga ik onvoorbereid naar een kiezelstrand.

Een zwemmende hond in zee, aan een ZANDSTRAND. Met actual zand dus.
Ik wil niks zeggen, maar er was geen énkele foto te vinden van een hond op een kiezelstrand.