Etikettenangst

Ik lijd aan etikettenangst. Dat betekent niet dat ik bij elk kledingstuk dat ik koop de schaar erbij haal om jeuk te elimineren (iedereen weet dat afgeknipte etiketten nog erger jeuken dan onaangeroerde exemplaren). Het betekent ook niet dat ik tijdens mijn schooljaren een allergie heb gekweekt voor de “Lotte Vercammen – *klas* – *nummer*” die elk jaar opnieuw netjes in de hoek (rechtsboven of -onder, naargelang de grillen van de leerkracht) van mijn boeken geplakt werden.

Ik bedoel daarmee dat ik het niet meteen begrepen heb op het plakken van een naam op mijn “ziekte”/”aandoening”/”toestand”/”probleem”/”situatie” (kijk, zelfs dat algemene etiket bezorgt mij al meer boebelen dan eender welk kledingstuk ooit). Reden numero uno daarvoor is dat ik van mijn dokter (die overigens de weg naar deze blog weet, hallo, ik was niet aan het roddelen, beloofd) zelf nooit een officieel etiket opgeplakt gekregen heb. Misschien bestaat er zelfs helemaal geen voor mij. Zou best kunnen, ik ben altijd al een geval apart geweest. Maar als er een bestaat, hoef ik het niet per se.

Ik weet hoe ik mij voel, hoe dat ongeveer gekomen is, wat ik eraan kan doen en ik heb een groep aangename lotgenoten (met én zonder etiket) waarmee ik ervaringen kan uitwisselen. Dat is genoeg.

Alleen is die hele boterham iets minder makkelijk aan mensen hun verstand te brengen dan een simpele medische term die ze vast wel eens hebben horen waaien. Dat is natuurlijk ook waarom sommige mensen wel van etiketjes houden. Als ze dan vragen hoe het gaat, hoef je alleen maar even op je etiketje te wijzen en alles is duidelijk. Bij griep bijvoorbeeld, lijkt het me handig om zo’n etiket te hebben, want dan wil je niet met mensen praten (doe je beter ook niet van te dichtbij, wie weet raken ze besmet). Of zelfs als je zwanger bent. Geen alcohol? Etiketje wijzen. Geen plek op de bus? Etiketje wijzen.

Er zijn de afgelopen maanden (ook door mezelf) al verschillende etiketten op mijn kop geplakt geweest. Mijn therapieclubje wordt bijvoorbeeld tussen neus en lippen wel eens de CVS-groep genoemd. Waarbij CVS staat voor chronisch vermoeidheidssyndroom, maar dat is te lang om voluit op een etiket te schrijven. Burn-out. Depressie. Ik heb het allemaal gehoord (gelukkig niet allemaal uit gekwalificeerde monden) en ik heb het uiteraard ook allemaal gegoogeld.

Het probleem is – zo voelt het voor mij als medisch en psychologisch leek althans – dat die hokjes niet allemaal helemaal op zichzelf staan. Veel kenmerken komen overeen, en ook de revalidatie (nog zo’n woord waar ik jeuk van krijg) is voor iedereen anders maar tegelijk ook voor iedereen even kut (sorry mama, ik bedoel lastig).

Doet het er dan toe welk etiket ik dan uiteindelijk opkleef (of opgekleefd krijg)? Om er dan meewarige blikken en doemverhalen mee te gaan oogsten (“want ik heb eens gelezen over iemand die ‘dat ook had’, die is nooit meer de oude geworden en sindsdien moet die elke volle maan een jong konijn aan de goden offeren om te voorkomen dat al zijn tanden uitvallen”)? Ik heb besloten van niet. Dat kan ik zomaar besluiten, want ik ben geen dokter en ik ken alleen mijn eigen verhaal.

Dus hou ze lekker bij, je etiketjes, geef ze aan anderen die er wél mee geholpen zijn (dat mag namelijk ook gewoon), speel er raadspelletjes mee of maak er origami-figuurtjes van.

En sorry, aan iedereen die mij al vroeg wat er scheelt en niet gewoon het verwachte 5-secondenantwoord kreeg, maar een hele uiteenzetting. Het is de etiketjesangst.

L

Deze hond heeft CVS, een burn-out en alle mogelijke ziektes die je je maar kan indenken. En ook een zonnebril.
Ik zocht een hond met een sticker op z’n kop, ik vond er een met een zonnebril. Beter.